De verveling slaat weer hard toe, dus ik vraag de verzorging om de armondersteuning op de rolstoel te plaatsen, zodat ik weer wat kan typen. Als ik een titel boven dit stukje tekst zou moeten plakken dan komt “Balans” zeker en vast in aanmerking. Iets minder dan een jaar geleden hoorde ik de onderbuurvrouw hard roepen om hulp, langdurig kloppen of slaan met een (wandel)stok en tikken op de kledingkast. Tussen tien uur ’s avonds en drie uur ’s nachts. Niet incidenteel, maar vrijwel elke nacht. Het volume van haar stem was qua decibellen equivalent met haar hoge leeftijd. Oordopjes waren mijn redding. Die liet ik op maat maken bij een zaak van de winkelketen Beter Horen (niet zo toepasselijk, die naam, want ik wilde ’s nachts juist minder horen en vrijwel doof zijn). Inmiddels is de buurvrouw dood en begraven, maar de oordoppen ben ik blijven gebruiken. Gunstige ‘bijwerking’ was dat ik geen water in mijn oren kreeg bij het douchen, omdat ik ze dan ook droeg. Nadelig werd het toen bleek, dat ik heel langzaam minder ging horen, omdat mijn oren niet meer goed werden gereinigd bij het douchen en oorsmeer voor een verstopping zorgde. De oren werden uitgespoten en ik merkte daarna dat ik de linker luidspreker van de radio aanzienlijk beter hoorde dan de rechter. Eigenlijk was ik op weg om doof te worden. Even de balans op de versterker opnieuw instellen. Dacht ik. Even naar voren leunen in de rolstoel, omdat ik niet goed bij het kleine draaiknopje kon komen. Dom, want mijn rompbalans is door de MS ernstig aangetast en de spieren, die de houding van mijn lijf zouden moeten corrigeren, werken niet meer. Tot overmaat van ramp bleek de bediening van de rolstoel buiten bereik, omdat ik schuin voorover zat. Om van de alarmknop maar te zwijgen. Daar zat ik, voorover gebogen, stabiel, maar muurvast, hoofd tegen het rijtje CD’s in de kast. Gelukkig kwam na twee uur penibele hulpeloosheid de schoonmaakster de kamer doen. Goddank 'deed' ze mij ook en duwde mij -na enig aandringen- weer in de goede houding en tegen de rugleuning. De balans van de speakers kon ik herstellen. Veel liever had ik die van mijzelf goed gedraaid.
Eén van de medewerkers van het restaurant is thuis ernstig gewond geraakt bij het schillen van de aardappelen. Ze vertelt zodanig dramatisch en serieus dat je tijdens haar relaas een speld kunt horen vallen. Haar spannende verhaal neemt zeker tien minuten in beslag. Ze is aan de dood ontsnapt. Een snee in haar vinger en een pleister als bewijs. Een mitella zou het drama compleet maken, maar die was blijkbaar niet voorhanden. Als het empathisch betrokken zijn en medeleven van de toehoorders wat minder wordt, gaan de gesprekken vrijwel naadloos over in de avonturen van de kinderen en kleinkinderen op skivakantie, de schade aan de huurauto, de diefstal van de fiets of de verbouwing van de voortuin. Moeilijk vind ik dat. Ik probeer niet te bagatelliseren of glimlachend en ongeïnteresseerd mijn schouders op te halen. Er zijn vrijwel elke dag behoorlijk wat ‘open deuren’ aan tafel. Het weer is een van de populairste. De kleinkinderen en de drukte op de weg doen het ook altijd goed. “Hé wat is dat nou? Je hebt geen sokken aan!” zegt mijn buurvrouw. Ik vertel haar dat de MS voor mijn gevoel mijn voeten af en toe in brand zet. De steunkousen, die ik draag, verliezen het van mijn dikke voeten, die heel veel vocht vasthouden. “ach… als dat alles is…” zegt ze, haar onbegrip van MS bewijzend. Nee, dat is niet alles. Een paar keer per etmaal schokt mijn linker- of rechter been. Circa twee uur lang duurt dit spastische fenomeen. Meestal overdag, maar ook ’s nachts in bed. Wakker schrikken is dan het logische gevolg. Verder schrijnen en jeuken mijn billen en is mijn stuitje pijnlijk, tot 23.00u, als ik weer in bed word getakeld. Elke dag weer. Elke dag doen alsof die glimlach echt is. Elke dag verstoppen mijn tranen zich erachter. Soms winnen ze en zit ik huilend herinneringen uit de fotomap op de computer te bekijken. Zitten? Mijn zitvlak is zo ongeveer van ‘papkwaliteit’, na zo’n zes jaar rolstoel. Het (angstig) wachten is op doorligplekken. Over slecht slapen, snel toenemende totale verlamming, praat- en slikproblemen, spasticiteit, verlies van concentratie, jeuk en stijve of pijnlijke beenspieren praat/schrijf ik verder niet. Oeps… nou doe ik het tóch…
“Vrolijk Pasen” hoorde ik in het Zorgcentrum en las ik recent op een kaartje dat aan een bosje tulpen hing. Hoezo vrolijk? Met de kerst lees ik op geen enkel kaartje Vrolijke Kerstdagen…. Vreemd. We martelen een eigenzinnige jonge kerel na een schijnproces beestachtig dood en vieren na een paar dagen zijn mysterieuze verdwijning uit z’n graf met een sprookjesachtige mythe die we Hemelvaart noemen. De recente lancering en ‘hemelvaart’ van de Artemis 2 zou je misschien nog wél als vrolijk kunnen bestempelen. En Nederland zou Nederland niet zijn als we het nooit bewezen paasverhaal gingen verlengen met een tweede dag. Ook vreemd: Nederland viert twee dagen kerst (alsof Maria 48 uur aan het baren was), twee dagen Pasen en twee dagen Pinksteren. Hoewel Pasen staat voor Nieuw Leven of een Nieuw Begin (wellicht wordt Vrolijk daarom eraan geplakt), de Rooms Katholieke kerkleider roept elk jaar weer in zijn stokoude Urbi et Orbi traditioneel, maar ook nogal zinloos op tot vrede. Een Nieuwe Kans op wereldvrede volgens de paus en veel gelovigen. Naar mijn bescheiden mening en gestaafd door de wereldgeschiedenis nogal kansloos. Ook weer gek: de mens trekt al vele tienduizenden jaren met alle hem beschikbare dodelijke wapens ten strijde tegen zijn soortgenoten, maar diezelfde mens kreeg lang geleden last van wat volgens de evolutie Geweten heet en kreeg o.a. door ontwikkeling en Verlichting een hekel aan geweld en bloedvergieten (ondanks de vaak gewelddadige Kruistochten). De mensen verzonnen een nieuwe god (er waren er al een stuk of tien die door de wetenschap inmiddels zijn geëlimineerd) en verlangden naar vrede en rust. Ook gek en in het licht van de oproep van de paus nogal paradoxaal: meer dan de helft van alle conflicten en oorlogen vindt z’n oorsprong in een geloof. Da’s dan weer niet zo vrolijk.
Vanmiddag werd ik met het eten geholpen door Elise. Deze naam heb ik verzonnen, omdat ze haar echte naam niet ‘vindbaar’ op internet wil. Dat respecteer ik natuurlijk. Tegelijkertijd vind ik het eigenlijk wel best dat ik wél te traceren ben. De recente (digitale) inbraak bij telecomverdiener Odido leert dat wij allemaal al een tijdje ‘op straat’ liggen. Onze naam en veel gegevens die daar aan vast zitten, zijn door elke goed- of kwaadwillende eikel relatief eenvoudig te vinden. Google is een soort Big Brother en weet eigenlijk alles. Voor mijn hobby luister ik regelmatig naar een radiozender, die veelvuldig morse-oefeningen op de Kortegolf uitzendt. Alleen al door het invoeren van de frequentie (6825.0) vertelt Google mij binnen een seconde dat deze uitzendingen worden verzorgd door de Franse marine, met radiozenders in Brest, Vernon en Favrièrers. De roepnaam (internationaal callsign) weet Google ook. Voor de grap, uit wat borstklopperij en enige zelfingenomenheid voer ik soms mijn eigen naam in, waarna de computer tientallen ‘treffers’ produceert. In tekst of met foto. Toen ik nog wijkagent bij de politie was, vond ik dat enerzijds geweldig, maar ook wel ietwat bedreigend. O ja…. Elise. We zaten, tussen de gebakken piepers en karbonade door, wat te filosoferen en grappen. Of ik bang ben voor de toekomst, vroeg ze. Ach… wat is bang…? Ik weet één ding zeker: als het reanimeren wordt omdat mijn hart er geen zin meer in heeft, dan hoeft dat niet voor mij. Sinds kort draag ik zo’n ketting, waarmee ik aangeef niet gereanimeerd te willen worden. In mijn werkzame leven heb ik diverse keren gereanimeerd, waarna zonder uitzondering alle ‘slachtoffers’ hersenschade aan deze levensreddende handeling overhielden. Sterker nog: als de MS mij zódanig sloopt dat mijn leven niet meer betekent dan eten en slapen, dan is euthanasie héél dichtbij. Ik heb hieromtrent al een gesprek gehad met de huisarts van het Zorgcentrum. Elise begreep het en knikte instemmend. En Google weet het nu ook.
Alweer 12 uur. De lunch in het Zorgcentrum is elke dag een warme hap. De eerste maanden moest ik daar flink aan wennen. Ook aan het tijdstip. Een jaar of 40 at ik namelijk rond 13.00 uur mijn broodtrommeltje leeg en verhuisden zes of zeven sneetjes volkoren naar mijn maag. De maaltijden hier zijn prima, er is vrijwel elke dag een alternatief en in plaats van een toetje (zuivel) kun je ook kiezen voor fruit. Aan tafel zitten Annie, Sebelia, Wouter, Rik, Loes en ik. Qua leeftijd variëren we tussen 66 en 93. Annie wordt vaak geholpen door haar dochter. Ze zegt weinig en praat sowieso zacht, omdat de MS haar stembanden heeft aangetast. Rik heeft ernstig Parkinson en is bijna onverstaanbaar. Loes is de oudste, stokdoof en valt meestal aan tafel in slaap. Wouter en Sebelia zijn weinig spraakzaam. Het is dus vaak doodstil aan tafel. Als ook de radio in het restaurant is uitgeschakeld komt er hooguit wat lawaai en ‘gevatte’ tekst uit de keuken. In een aula van een crematorium is dan meer sfeer. Ik denk nog regelmatig aan de lunches in de kantine (alleen op het hoofbureau at je in het restaurant) van het wijkbureau van de politie. Het was er hectisch, onoverzichtelijk druk en ‘ambtelijk’ gezellig. Er was namelijk bijna altijd (letterlijk) sprake van ernstige aanrijdingen, spannende achtervolgingen, moeilijke aanhoudingen of verhalen over zwervers en drugsverslaafden. Bovendien tetterden de portofoons van de collega’s van de Noodhulp door de drukte heen. De tegenstellingen, die ik mij nu moet laten welgevallen, zijn immens. Regelmatig passeert er een politieauto met optische- en geluidssignalen het Zorgcentrum en sommige bewoners reageren met -mij al decennia bekende- ‘leuke’ opmerkingen. “Ze komen je halen” is de populairste. Een enkeling, die er naar vraagt, is geïnteresseerd als ik vertel, dat ik dat werk ook heb gedaan. Geringe verbazing bespeur ik, als ik vertel dat ik een pittige rijopleiding daarvoor moest doen. Nog groter is de verbazing als ik zeg, dat de politie in sommige gevallen (rode) verkeerslichten mag negeren, zonder dat er met sirene en zwaailicht wordt gereden. Ik leg nog maar ‘ns uit waarom.
In de taxi-bus van Plus-OV kom ik niet alleen lotgenoten (rolstoelstakkers en mindervaliden) tegen, maar regelmatig ook geestelijk gehandicapten. Soms denk ik somberend dat ik ben terechtgekomen in een rare droom. Van de chauffeurs zijn er een paar, die met wat tact en inleving prima met ze overweg kunnen. Beide ‘partijen’ hebben dan de grootste lol. Zo stopte een chauffeur laatst onverwacht bij een tankstation voor een pakje sigaretten en trakteerde hij zijn passagiers ook op een stuk chocola. Vijf weken geleden zat Pablo in de bus. Gekleed in een kleurrijk circuskostuum en voorzien van een donkerrode clownsneus. “Met een crematoriumgezicht naar het carnaval bij de voetbal” zei de chauffeur lachend en plagend. De elastiekjes van de feestneus zaten zó strak, dat ze waarschijnlijk diepe sporen hebben achtergelaten in zijn wangen. Pablo is een niet erg spraakzame, woest en serieus kijkende, maar toch ook best aardige jongen met het syndroom van Down. Nou ja, jongen… ik schat hem 35, maar hij lijkt de pubertijd qua luidruchtige seksueel getinte grappen en opmerkingen niet te zijn ontgroeid. Vrijwel elke vrouwelijke verkeersdeelnemer die we zien wordt door Pablo vrouwonvriendelijk voorzien van een rapportcijfer. En zo vroeg hij mij tijdens een rit naar Deventer of ik ‘onder de brug’ moest zijn voor ‘de dames’. “Je weet wel, lekker neuken”. Mijn ontkenning had blijkbaar niet veel zin, want Pablo reageerde hard lachend. En toen ik even later uitstapte bij het Postiljon Hotel zei hij “veel plezier”. Met zijn geheugen lijkt niks mis, want een paar dagen geleden gingen mijn vriendin en ik wederom eten in het restaurant van het Postiljon in Deventer en stapte Pablo in Twello toevallig weer in. Hij beantwoorde mijn “hoi” niet en bleef zwijgend naar mij kijken. De hele rit naar Deventer zei hij niets maar toen ik uitstapte zei hij weer “veel plezier” en voegde daar aan toe “je hebt toch wel genoeg geld bij je?“ Voor Pablo ben ik die hoerenloper uit Apeldoorn. Dus ondanks rolstoel tóch nog lopen.
Even iets heel anders; vandaag drie keer op de radio de mededeling dat vandaag (20 maart) de Ramadan is afgelopen. Dit ‘nieuws’ van het ANP was opgenomen in de bulletins op Radio 2 en Radio 5. Niet onmogelijk, dat het op veel andere zenders was te horen. Natuurlijk zullen veel luisteraars flauw zijn geworden van nieuwsberichten omtrent de onhandige streken of uitspraken van die oranje clown in het Witte Huis, de oorlog in Oekraïne of de brandstofprijzen aan de pomp, maar toch. Uitgebreid werd verteld over dit islamitische feest en in het bulletin op NPO Radio 2 was zelfs een geluidsfragment in het Arabisch te horen. Het ANP krijgt het druk, denk ik. Behalve de bommen van Poetin en de blokkade van de Straat van Hormuz, gaan de nieuwsberichten voortaan ook aandacht schenken aan het Boeddhistische Magha Puja, de Vesakha, het Asalha, veel christelijke feesten, het Hindoeïstische Divali, het Joodse Poerim, Pesach en Chanoeka. Wat te denken van de nu nog bij veel luisteraars onbekende Germaanse en Keltische feesten? De Pastafarische dagen? Allemaal nieuwskansen! Niet cynisch: het ANP geeft hiermee een voorkeursbehandeling aan dit geloof. Dat versterkt het idee dat hun religie een uitzonderingspositie verdient (een gedachte die zij zelf ook vaak koesteren, omdat kritiek op hun god en hun profeet niet is toegestaan). Wat het ANP als nieuws of informatie ziet, zullen veel moslims zien als erkenning. Zelfs de politie participeert in hun religieuze gewoonten (in veel grote steden doen vooral wijkagenten mee met de Iftar). En dat doen ze niet bij al die andere godsdiensten en geloven. Het zijn nu vooral de moslims die zich gesterkt en erkend voelen.
"Vandaag lekker douchen” zegt Abdallah, een bijzonder aardige verpleger in het Zorgcentrum. Abdallah (van Syrische afkomst) is nog erg jong, heeft het postuur van een Olympisch zwaargewicht worstelaar en het uiterlijk van een lollige taxichauffeur uit de Randstad. Het is 07.15u en de voorjaarszon prikt al mijn kamer binnen. Ik leg hem slaapdronken uit dat ik al een jaar of tien niet meer “lekker” douche. Ik herinner mij nog goed dat ik op een zogenoemde kunststof douche-stoel door de Thuiszorg werd gewassen. Het zal alweer een jaar of twee geleden zijn, dat ik mijn eigen penis heb gezien (ik durf niet openbaar te maken en te liegen dat ik nog nooit een porno-filmpje heb gezien). Geloof het of niet, maar de eerste keer om volledig naakt te worden gewassen door een jonge vrouw, die qua leeftijd je dochter zou kunnen zijn, was voor mij even slikken. Natuurlijk, het is haar werk en ze zal ongetwijfeld honderden piemels en blote kerels hebben gezien, maar toch. In het Zorgcentrum word ik gewassen nadat ik op een douchebrancard ben getakeld. Liggend douchen dus. Het zou mij niet verbazen als dit fenomeen door Amnesty International als een lichte vorm van martelen wordt bestempeld. Met een handdouche worden je haar en lijf nat gemaakt (dit duurt circa acht tellen). Altijd weer spannend of er even later geen sop in je ogen komt. Twee keer meegemaakt. Ook een keer de waterstraal van de douche abusievelijk in mijn gezicht gehad en ik was verbaasd over de paniek, die mij besprong. Lekker douchen… Ten gevolge van de vele verlammingen in mijn ledematen voelt het, bloot liggend op zo’n brancard, alsof de onbekwaamheid en hulpeloosheid elkaar versterken. Lekker douchen? Dat is heel lang geleden. In mijn vorige leven.
Niks te doen. Dus maar weer een stukje tekst. De armondersteuning wordt door mijn twee favoriete verzorgsters op de rolstoel geplaatst en even op de juiste spanning gezet, want het apparaat staat nu wel erg ‘stoer’. Standje 9 blijkt goed. In het restaurant gisteren een opgewonden standje. Eentje van een jaar of 95. Madame kreeg gewone margarine onder het beleg op de boterham en was not amused. Waarom ze geen roomboter kreeg. “Is er geen roomboter?!”. Ze durfde zelfs luidkeels het woord “schandalig” te gebruiken. Nog altijd (nu bijna drie jaar) kosten de simpele prietpraat, het marginale geneuzel en de bijna dodelijke sleur in het Zorgcentrum mij veel moeite. Met wat pech sta je zomaar tien minuten op de lift te wachten, omdat veel bejaarde (en dus vaak trage) bewoners met hun rolstoel of rollator de deuren testen. Recentelijk was ik getuige van één der ‘hoogtepunten’ in het Zorgcentrum. Een bewoonster uit één van de stadsdelen c.q. dorpen waar ik als wijkagent werkzaam was, zong in een koor, dat een optreden verzorgde. Na afloop van deze happening schudde ik haar hand en maakten we een praatje. Het muzikale gezelschap bevond zich qua niveau (volgens mijn smaak) ergens tussen Middagbingo en Koffiepauze…. De kloof werd bijna tastbaar. Ik kom uit een dynamische wereld van ernstige aanrijdingen, fors geweld, zelfdoding, inbraken en moeilijke arrestaties. Mijn ‘nieuwe’ wereld is klein, de MS sloopt mij gestaag en veel dingen, die ik nog niet zo lang geleden onterend vond, moet ik mij steeds meer laten welgevallen. Ik merk, dat ik soms somberend pieker of zelfs huil en een soort van zelfmedelijden ontwikkel. Donderdag weer Luxe Ontbijt. Ik vraag maar eens naar een wit broodje met hagelslag. Wél met roomboter.
Er wandelt een piepklein spinnetje over mijn been. Ik volg het beestje, dat zonder navigatie de weg naar mijn sok weet te vinden. Ik heb mijn stuurloze benen door de Zorg laten parkeren op het bed, om ze een uurtje te strekken. Het spinnetje neemt de spannende route en verdwijnt onder de boord van de broekspijp van de trainingsbroek. Raar eigenlijk; ik draag al jaren een joggingbroek, zonder ook maar één meter te lopen. Wist u trouwens, dat verreweg de meeste chips, borrelnootjes en pinda’s worden gegeten door mensen in een trainingsbroek? Beetje paradoxaal; weinig sportief ook. ‘Gezonde’ kleding voor niet zo gezond eten…. Terug naar mijn kleine gast. Het minimonstertje is verdwenen in de broekspijp en gaat kriebelend op weg naar mijn knie. Zou ‘ie op weg zijn naar mijn scrotum? Als ik had gekund, had ik ‘m natuurlijk allang dood gemept of ‘diervriendelijk’ weggeveegd. Maar helaas. Ik word verslagen door een beestje van drie millimeter doorsnee. David en Goliath in kamer 209. Mijn beperkingen in praktijk gebracht. “ondanks je ziekte moet je proberen de regie in eigen hand te houden” kreeg ik als antwoord van een lotgenoot op een beetje sombere stelling, die ik op een MSforum publiek maakte. Het spinnetje liet zich door mij echter niet regisseren en deed z’n eigen optreden. Eigenwijs beest. Net zo eigenwijs als de eigenaar van de joggingbroek….
Armon Edero. Mozeskriebel…wat een gevaarte. Een soort robot-arm, gemonteerd aan de armleuning van de rolstoel (zie foto). Deze regels zijn geschreven met behulp van het (dure) ding. Ik schat 30 aanslagen per minuut. Niet zo snel, maar ach…. Ik heb tijd zat. Mijn arm voelt of ‘ie zweeft. Alsof ‘ie bijna gewichtloos is. ‘Wennen’ is een understatement. Vreemd om weer zonder probleem te kunnen krabben op je hoofd wanneer het jeukt, raar gevoel om weer een bekertje koffie met succes te drinken. Ook is het alweer lang geleden dat ik uitgebreid in m’n neus kon peuteren. Ja, duur. Mijn rijvaardigheid in het Zorgcentrum zat al op Formule-1 niveau, de totaalprijs van de rolstoel komt nu in de buurt van die van een tweedehands Ferrari. Wel weer een staaltje vertragingstechniek, bureaucratie en besluiteloosheid aan den lijve ondervonden. Aanvankelijk zou het Zorgkantoor voor de kosten opdraaien, maar na vijf weken vergaderen en geld tellen werd Atlant ingevolge de WLZ (Wet Langdurige Zorg) verantwoordelijk geacht. Ook dat feest ging echter na lang beraad (zes weken) niet door. Het fenomeen ‘aan het lijntje houden’ kreeg spontaan een diepere betekenis. Ik heb het apparaat dus maar zelf aangeschaft. Duur? Ja. Maar een cruise naar de Poolcirkel of een hotel op een Grieks eiland zitten er voor mij niet meer in, dus die euro’s zijn het probleem niet.
Regelmatig voel ik mij gevangen. Omdat mijn lijf niet meer doet wat mijn hoofd bedenkt. Of omdat ik voor de meest eenvoudige dingen op de bel moet drukken. Zo heb ik nog niet zo lang geleden vijftien minuten zo’n dodelijk saaie kwis moeten aanhoren omdat ik de afstandsbediening van de t.v. had laten vallen. Elke dag hoor ik op de gang “tot straks” als de Zorg bij de buurvrouw is geweest. Dat “tot straks” heeft voor mij iets van een begrenzing. Een bevestiging van absolute afhankelijkheid, gebondenheid en onzelfstandigheid. Het betekent ook een beetje dat ontsnappen vrijwel onmogelijk is. Dat op ‘uw aanwezigheid’ wordt gerekend. Hulpbehoevend tot de dood erop volgt denk ik wel eens somberend. Dat “tot straks” zit in de Top 10 van veelgebruikte kreten hier. Andere populaire termen of uitlatingen zijn “inco”, “top” en “graag gedaan”. Kortgeleden heb ik een jonge verzorgster vriendelijk lachend verteld dat ze in tien minuten tijd zes keer het (stop)woordje “super” gebruikte. Gelukkig was haar collega dat met mij eens. Waar die draden en hoepels op mijn kamer voor dienen heb ik geprobeerd uit te leggen. Dat de ontvanger op mijn bureau geen ‘bakkie’ is begreep ze wel, maar van Morse had ze nog nooit gehoord. Dat ik bij de Marine had gevaren en telegrafist ben geweest vond ze super.
Hoeveel verveling kan een mens aan? Waar ligt de ‘uiterste sleurgrens’…? Dat de muren van mijn kamer in het Zorgcentrum vaak op mij af komen is eigenlijk een understatement. Min of meer zit ik in een ‘dode hoek’. Als verveling, sleur en uitzichtloze routine konden vliegen, dan woonde ik op een luchthaven. Dit helpt; ik doe een week over twintig regels tekst. Het helpt niet, maar ik vloek. Ik besta, maar ik leef niet. Zitten zonder veroordeling is het. Geen misdrijf of overtreding gepleegd, maar wel levenslang. Ik kies één van mijn ‘playlists’ op Spotify en zet de versterker wat harder. Een paar minuten later dreunt Armin Van Buuren wat agressief door het kloppen op de deur heen. Koffie. Vanzelfsprekend met een koekje. Waarvoor ik maar eens vriendelijk bedank, want ik heb nog een stuk chocola. Niet zo verstandig voor een man van 66 met Diabetes, maar ik ben het punt van voorzichtigheid al een tijdje voorbij. “Wat heeft u leuke muziek” zegt de vrijwilliger. Ik gok brutaal en hardop dat ze van Dance houdt en 25 is. Ik zit er twee jaar naast, maar haar naam weet ik nog wel. Dat vindt ze knap, maar ik heb nou eenmaal een zwak voor vrouwelijk schoon van Mediterraanse komaf. “Bent u écht wijkagent van de politie geweest?” Ze ziet de poster aan de muur en zegt dat nauwelijks te kunnen geloven, want ik ben volgens haar niet streng en onaardig genoeg. Bovendien zijn de meeste politiemensen in haar beleving arrogant en antisociaal. Oei! Deze dame bladert door het Woordenboek Nederlandse Taal en is blijkbaar ook nog eens goed geïntegreerd. Maar ik bestrijd haar opvatting. Grotendeels. Want de gemiddelde (jonge) nieuwe politiemens is volgens mij snel, zakelijk, resultaatgericht en vooral repressief. Ayla kijkt mij fronsend aan en zegt het met mij eens te zijn. “Gaat u nog iets leuks doen vandaag?” Merkwaardig. De schoonmaakster, de fysiotherapeut, de vrijwilliger in het restaurant, de dame bij de receptie, de zorgmedewerkers, allemaal stellen ze mij regelmatig diezelfde vraag. Meestal zeg ik dan: “hetzelfde als morgen. En volgende week maandag. Of volgende maand dinsdag”.
Niets is meer wat het lijkt. Ten gevolge van robuuste verveling zie ik o.a. op Facebook tientallen korte filmpjes voorbij komen. De meeste zijn schokkend, leuk bedoeld en niet zelden spectaculair. Maar steeds vaker haak ik steeds eerder af. Werkelijk zo’n 80 procent van de video’s blijkt onzinnig, fysiek onmogelijk of onwerkelijk dramatisch. Al vrij snel kan zelfs een kind zien dat de beelden met behulp van (of door) AI (kunstmatige intelligentie) zijn gevormd en geschapen. Geknutseld of gefröbeld dus. Peuters, die door een gorilla worden getroost, schepen die plotseling in de golven verdwijnen, verkeersvliegtuigen die worden gelanceerd vanaf een vliegdekschip, politiemensen die wildplassen, botsende treinen en ontploffende huizen. Terwijl intelligentie kunstmatig wordt, blijven dom en onnozel authentiek. Welke minkukels en drop-outs maken deze kolder? En waarom? Ik denk somber en pessimistisch als ik anticipeer dat de tijd van video-bewijs achter ons ligt (ik blijf politieagent).
Verkiezingen. Misschien ligt het aan mij (en mijn overgevoeligheid ten aanzien van beeld en geluid) maar de afgelopen weken kwamen het geneuzel, de liegpraat, het gedraai en het moddergooien van Wilders, Timmermans, Jetten, Yesilgöz, Van der Plas, Bontenbal, Ouwehand, Vos, Stoffer, Bikker, Dassen en Eerdmans mij de neus uit. Op de nationale en commerciële televisie waren er de dagelijkse praatshows, debatten, kwisjes en wervend bedoelde filmpjes. Zelfs A.I. deed zijn (discutabele) intrede met onsmakelijke beelden. Op de radio vrijwel eindeloos herhalende reclamespotjes en interviews door nauwelijks ter zake kundige discjockeys, presentatoren en popi-jopies. Over het klimaat, de Zorg, het woningen-tekort, de asielzoekers en onze veiligheid. De procenten denderden door de luidsprekers, evenals de miljarden, de miljoenen en de goede voornemens. Om nog maar te zwijgen van het legertje beroepsduiders die in de vele talkshows gingen uitleggen wie er in hun ogen gewonnen had. Gevolgd door ‘sensationele‘ peilingen en dito voorspellingen. Na woensdag is het allemaal voorbij. Maar dan verschijnt er na korte tijd waarschijnlijk eerst weer een soort Remkes die gaat verkennen. Na de verkenner komt er een klein peloton informateurs en daarna een formateur. Wedden dat dit circus elke avond meerdere voorstellingen op de televisie veroorzaakt? Ik ga nog een keer de Kieswijzer doen. Ik geef het toe; ik ben wat ontstemd.
Stress syndroom? “U mag met spoed…”. Bijna magische woorden van de centralist in de meldkamer van de politie. Het betekende dat we met zwaailicht en sirene naar het incident mochten. Deze woorden veranderden in de loop der jaren in “u heeft toestemming”. Tijdens mijn eerste jaren bij de surveillancedienst van de politie gebeurde dat gemiddeld drie of vier keer per maand. Fantastisch om alle rijvaardigheden uit de VRO (Voortgezette Rij Opleiding) in de praktijk te doen. Zigzaggend door het verkeer, rode verkeerslichten negerend, de toegestane maximum snelheid overschrijden en razendsnel de kortste route naar het incident bepalen. Een uitslaande brand, een auto te water, een ernstige aanrijding, een reanimatie, een dodelijk bedrijfsongeval of een collega in nood. Ja, tientallen keren gedaan. Niet vreemd dat je na een paar jaar uitstekend de weg wist in de hele gemeente. Dankzij de navigatiesystemen in politiewagens is die plaatselijke bekendheid bij veel (jonge) politiemensen volgens mij behoorlijk gereduceerd. Het zorgcentrum, waar ik nu mijn dagen slijt, is gevestigd nabij een druk kruispunt. Ik denk één van de meest intense van Apeldoorn. De Jachtlaan, de Loolaan, de Zwolseweg en de Amersfoortseweg (doorgaans noemden we bij de politie deze kruising van wegen De Naald, naar het gedenkteken daar). Ze zijn op doordeweekse dagen goed voor duizenden auto’s per uur. En zo’n dertig tweetonige sirenes per etmaal. Het zijn er godsamme opvallend veel. Bij heftige voorvallen worden blijkbaar meerdere eenheden ingezet. Ik weet het vrijwel zeker: waar wij dertig jaar geleden met twee agenten gewapend met status, een grote mond en een notitieboekje kwamen optreden, worden er nu al gauw zes ingezet. Toen ik hier nog maar net woonde zorgden de sirenes op de kruising af en toe voor weemoed en nostalgische gedachten en soms zelfs tranen in m’n ogen. Die emoties worden ten gevolge van de MS snel bereikt en de eerste jaren na m’n pensioen vond ik voorbij scheurende politieauto’s sowieso al enigszins confronterend. Een soort ‘PTSS-light’.
Pincode verkeerd. Ik begrijp er niks van. De scanner blokkeert en ik moet het ding opnieuw activeren. Ik krijg twee keer een lange cijfercode. Mijn arm wil bijna niet naar het beeldscherm, maar het lukt. Maar de scanner wordt echter niet ‘actief’ en werkt dus niet. Bellen met de helpdesk van ING. Na wat Google en diep zuchten blijkt dat ik voor het telefoonnummer eerst moet zijn ingelogd. Met de scanner. Mozeskriebel. Ik besluit om dan maar het ‘noodnummer’ van de bank te bellen. Eigenlijk bedoeld om een verloren pasje, diefstal of fraude te melden, maar na een sloom en uitgebreid keuzemenu kies ik “8 om een medewerker te spreken”. Na drie kwartier zijn alle mensen daar nog steeds druk en niet beschikbaar en hang ik op. De koffie is gearriveerd en vreemd genoeg nuttig ik die warm. Volgens mijn Antilliaanse vriend hoort koffie te lijken op een echte man: bruin, sterk en heet. Na een uurtje probeer ik het nog eens. En na twintig minuten en circa vijftig keer de mededeling “Al onze medewerkers zijn in gesprek. U wordt zo spoedig mogelijk geholpen” neemt een vriendelijke mevrouw op. Ze vertelt mij dat het telefoonnummer is bedoeld om verlies, diefstal of fraude te melden, maar ze verbindt mij toch door met de ING Helpdesk. Na slechts tien minuten vloeken krijg ik een andere vriendelijke medewerkster aan de lijn. Ter controle moet ik nog even mijn naam, rekeningnummer, pasnummer, geldigheidsdatum van de bankpas, geboortedatum en woonadres geven. Ze helpt mij op zich prima, maar een cijfercode die ter verificatie wordt verstuurd gaat naar mijn oude telefoonnummer. Zij vertelt mij vervolgens dat ik mij moet melden bij een ING Servicepunt, teneinde het nummer te wijzigen. Ik protesteer en werp op dat ik rolstoelgebonden ben en dat zo’n reisje mij veel moeite kost. Dat is volgens haar ‘vervelend‘ en ze gaat voor een oplossing even overleggen met een collega. Die gaat blijkbaar eerst even voor een grote boodschap naar de wc en pas tien minuten later wordt besloten dat ik een brief krijg en mijn gegevens kan wijzigen. Dit formulier moet ik retourneren. Zoekt u nog een bank? Ik zou de ING negeren.
Vorige week de Eerste Prijs bij de Loohof Bingo in het Zorgcentrum: een extra douche. En daarna een champagne-ontbijt op de kamer, met warme croissants, een broodje gesmolten kaas, versgeperst sinaasappelsap, een kom gesneden fruit en sterke koffie. Ik mocht van de evenementen-commissie twee verzorgers (m/v) kiezen, die bij het ontbijt gezellig aanschoven. Ik koos voor Janneke en Annette (zuster Jan & An), twee enthousiaste, soms wat drukke, maar lieve meiden. Beetje jammer, dat het eetfeest om 09.00u alweer voorbij was. Maar ja, de dames moesten weer aan de slag met blaas-spoelen, klysma’s, medicijnen, poepluiers, voorraadbeheer, steunkousen, administratie, bedden opmaken, katheters wisselen en andere bewoners wassen of douchen. Vrolijk en goedgemutst, ondanks zeurende of enigszins vervelende of verwarde bewoners die zich al of niet terecht zorgen maken over hun medicatie. Straks even inschrijven voor de Slimste Mens. Benieuwd welke bewoners meedoen en welke prijzen er zijn te winnen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- De volgende keer een tekst die wél realistisch is en over mijn alledaagse werkelijkheid gaat. Hoewel hier alleen de Bingo, de douche, de Slimste Mens en het luxe ontbijt door mij zijn verzonnen. De twee dames zijn namelijk échte toppers en hun werkzaamheden bewegen mij tot diep respect.
15 augustus vandaag. Een datum die ik nooit meer zal vergeten. In 1977 haalde ik samen met zo’n veertig andere bleekneuzen mijn uniform van de marine op in het ‘plunjemagazijn’ in Den Helder. Ik weet nog hoe het daar rook. Ik weet ook nog, dat we alles in twee ‘plunjezakken’ moesten pakken, die daarna bijna niet meer te tillen waren. Op deze dingen was met een stift je marine-nummer geschreven, dat je uit je hoofd moest leren. Ik ben 31857 ook nooit meer vergeten. Het stond in de kraag van je werkpak, in je pet, in je ‘daags blauw’ (nette pak) en verder op alles wat je aan persoonlijke bezittingen in het plunjemagazijn kreeg. Een paar dagen later voor de eerste keer exercitie. Marcheren op het enorme plein tussen legeringsgebouwen, eetzaal en pieren in de haven. Eerst naar de kelder van het gebouw Mantelmeeuw, waar iedereen een FAL (automatisch geweer) kreeg. Ineens voelde je je machtig, belangrijk en gevaarlijk. “Voorwaarts Mars!” schreeuwde de korporaal. Wij keken stiekem naar de echte wereld van fregatten die afmeren, landende helikopters, sleepboten die een mijnenveger helpen en mariniers die in een rubberboot door de haven scheuren. Achtenveertig jaar later is de wereld zodanig klein geworden, dat er tijdens de lunch veel aandacht en ‘deskundig’ commentaar is voor enkele medewerkers van de gemeente, die voor het verpleeghuis een tak van een boom zagen. De hoogwerker, die ze geparkeerd hebben op het fietspad, staat volgens mijn buurvrouw gevaarlijk en de knul in het bakje van de hoogwerker moet een helm op. De wereld is klein geworden.
“Alles goed?” vraagt de knul, die mijn kamer komt schoon maken. Of eigenlijk: hij vraagt het niet, maar hij zegt het. Een ‘binnenkomer’ zoals je ze vaak hoort. Een Deuropener. Als ik antwoord dat mijn aanwezigheid hier impliceert dat met mij niet alles goed is, vindt hij die zin volgens mij al te ingewikkeld en grijpt hij een stofdoek en gaat zwijgend aan het werk. “Nee” zeg ik, “met mij is niet alles goed. Maar ach, Tsjernobyl is erger”. Blijkbaar maak ik hem aandachtig, want hij zegt geen idee te hebben over welke ziekte ik praat. Ik vertel over de ramp in 1986 met de kerncentrale daar en dat ik de vele dodelijke slachtoffers van de radio-actieve straling bedoel. Van Tsjernobyl heeft hij nog nooit gehoord en kerncentrales zijn er volgens hem alleen in Amerika. Weer ga ik ernstig twijfelen aan de algemene ontwikkeling van jonge mensen. Maar ach, 1986 is voor hem zo ongeveer pre-historisch. Beetje gemeen van mij, maar ik vraag hem of hij gelooft in zeemeerminnen. Hij komt niet verder dan de Noordzee en het Dolfinarium in Harderwijk, dus mijn pessimisme en lachspieren vechten om voorrang. Vanmorgen lekker ontbijt in het restaurant van het verpleeghuis. Behalve mijn bijna rituele cracker met smeerkaas ook een bakje gesneden fruit. Ananas, mango, banaan, druiven, meloen en aardbeien. Het is hier zo slecht nog niet. En de koffie wordt geserveerd door Maryam, die aanschuift en gezellig meedoet met een kop thee. Ik geloof, dat ik haar heel lief en aardig vind.
Nog steeds pijn in m’n kont, als na een uurtje of vier mijn inmiddels vrijwel spierloze achterwerk gaat jeuken en het voelt of ik op een onderbroek zit die is dubbelgevouwen. Ik reken uit dat ik inmiddels een jaar of zes rolstoelgebonden ben. Zo’n drie jaar geleden kon ik met steun van een stevige tafel nog één minuut staan. Twee jaar geleden kon ik mij nog zelfstandig uit de rolstoel wurmen en op het bed gaan zitten. Het is godverdomme pijlsnel bergafwaarts gegaan. Van actieve- naar passieve lift was maar enkele maanden. Ik herinner mij dat ik als vrolijke noot aan tafel kwam bij hulpeloze, oude of ernstig zieke mensen. Nu word ik soms sarcastisch en licht depressief als ik word geholpen door vrijwilligers en vakantie-krachten omdat ik bestek niet meer kan vasthouden. Laat staan een glas water. Ik heb de kracht en motoriek van een regenworm. Na de lunch ‘vlucht’ ik naar een luxe ligstoel om mijn zitvlak te ontlasten. Ik val er regelmatig in slaap. Vanmiddag ook. De alarmzender had ik vast, maar ik werd wakker toen het ding op de grond viel. Shit!!! Hulpeloos tot 17.00 uur, als de verpleging met de medicatie komt. Paniekerig kijk ik naar de katheterzak, die al voor de helft vol is. Dat red ik nooit tot vijf uur. Ik hoor stemmen op de gang en ga om hulp schreeuwen. Verduveld, de deur gaat open en twee lacherige verzorgsters rapen mijn alarmknopje op. Mazzel. Heb ik dat ook een keer.
Een van de (erg jonge) vrijwilligers in het verpleeghuis doet de koffieronde. Zelfs een stukje cake ontbreekt niet. Op mijn laptop een uitgebreide reportage van een wetenschapper, over de eerste landing op de maan, vandaag 56 jaar geleden. Inclusief foto van Neil Armstrong en de Apollo maanlander. De jongedame met de koffie ziet wat ik lees. “Gelooft u daarin?” zegt ze wat minzaam lachend. Dat is een soort wespensteek voor mij. Ik vertel dat het niet een kwestie is van geloof, maar begrip en een beetje technisch inzicht. Ik vertel dat er wereldwijd meer dan tienduizend wetenschappelijke ‘reviews’ over deze happening zijn geschreven, dat er bij de NASA 400.000 mensen aan dit project hebben gewerkt, dat er door alle zes landingen 382 kilo monsters en maanstenen zijn teruggebracht, dat radio-amateurs de communicatie op de maan hebben gehoord, dat universiteiten wereldwijd de stenen hebben onderzocht, dat diverse landen zoals (zelfs) Rusland de missies en de landingen hebben bevestigd en dat tientallen ‘tracking-stations’ wereldwijd de vluchten hebben gevolgd. “Het is dus geen geloof”, eindig ik mijn betoog. Een klein beetje aangeslagen schenkt ze mijn koffie in. Ze ziet mijn varende plaatsing bij de marine aan de muur hangen. Of ik op dat schip heb gevaren. “Gelooft u ook in zeemeerminnen?”. Ik antwoord ontkennend en ventileer dat deze waterdames alleen in sprookjes bestaan. Dat bestrijdt ze enthousiast. Als ze ook nog eens “groter als” en “hun hebben” in een zinnetje uitkraamt, weet ik het zeker: met de jeugd van tegenwoordig is wellicht niet veel mis, maar mijn generatie is niet bijster succesvol geweest ten aanzien van hun algemene ontwikkeling en vertellen over de feiten en bijzondere gebeurtenissen in de twintigste eeuw in het bijzonder.
Record gevestigd gisteren. Meestal heb ik een paar uur per etmaal stevige spasmen in het been (vaak links), maar het leek gisteren onophoudelijk. Stappenteller (download) op de telefoon gezet en op de knie gelegd. Het ding telt vervolgens zo’n 180 stappen (schokken dus) per vijf minuten. Al ruim drie uur spasmen in het been, dus meer dan zesduizend schokken. Onvoorstelbaar eigenlijk, dat ik dit volhou. Bijkomend is ook nog, dat er frequent zodanige hevige schokken zijn, dat mijn voet van de steun op rolstoel schiet en het been er naast gaat ‘bungelen’. Knettergek word ik ervan. Gelukkig worden de schokken afgewisseld met vreemde pijnscheuten in mijn knie en hamstrings. Die zijn min of meer te verminderen door de benen te strekken en ze een uurtje op bed te leggen. Zelf lukt mij dat niet, maar ik ga dan met de zitlift van de rolstoel zo hoog mogelijk zitten, rij naar het bed waarna de verpleging mijn krachteloze stelten op het bed legt. Ik word waarachtig nog lenig op mijn zesenzestigste. Nagenoeg volledig gesloopt, maar wel los in de gewrichten. Vanmorgen de verpleegkundige op visite. Mijn bloedwaarden zijn zodanig, dat ik ben toegetreden tot de elite-troepen van het Diabetes-korps. Ik had al MS, te hoge bloeddruk, verhoogde kans op embolie, bot-ontkalking (osteoporose), chronische lymfatische leukemie en nu ook nog suikerziekte. Volgens mij ben ik inmiddels hoofdsponsor van de Gelre-ziekenhuizen.
“Gaat u niet naar de barbecue?!” vraagt iemand van het verplegend personeel wat verbaasd. Ik leg uit dat ik desastreus slap ben (ik lijk gezond, maar voel mij ziek), dat het extreem warme weer mij volledig sloopt en dat ik niet of nauwelijks ‘klik’ met de meeste vleeseters bij zo’n grillfeest. De evenementencommissie van het tehuis organiseert frequent activiteiten zoals Bloemschikken, Bingo, Jeux De Boules, Tekenen of Klassieke Muziek. Het hoeft geen betoog dat ik mij niet zo thuis voel bij zulke partijtjes. Bovenal heb ik niet zo’n zin in prietpraat en het aanhoren van verhalen en geneuzel over kleinkinderen, het weer en de ziekten van overleden bewoners. Eén bewoonster praat bijna voortdurend over De Oorlog en het eten. Eigenlijk niet vreemd dat ik die ‘klik’ wel heb met veel verplegenden en de (relatief jonge) medewerkers en vakantiekrachten in het restaurant. Met Ike praat ik over de vakanties met zijn vrienden in Macedonië en Maryam is intelligent en begrijpt mijn simpele filosofie, woordgymnastiek en taalgrappen. Natasja vertelt over haar scheiding en Onno moet lachen om mijn marinebelevenissen en politieverhalen. Nee, voor mij vanavond crackers met smeerkaas en jam. En een schaaltje eiersalade. Van de barbecue.
Fijn. Een nieuwe rolstoel! Mijn oude begon gebrekkig te worden en een reparatie aan de motor zou zo’n tweeduizend euro kosten en de twee accu’s waren ook ‘op’. Even een proefritje naar de supermarkt en binnen drie minuten over het gladde asfalt bij de SPAR. Het ding vliegt bijna astronomisch snel over de weg en bij scherpe bochten is een veiligheidsgordel eigenlijk niet overbodig. Het apparaat kent vijf zogenoemde ’profielen’. Die met de joystick en het stuurkastje zijn te selecteren. Ik waan mij een soort Verstappen. Met enkele beperkingen, dat dan weer wel. Helaas heeft de stoel ook tekortkomingen…. Het vehikel heeft zes wielen maar de aandrijving is alleen actief op de middelste twee. En dat zorgt voor grote problemen bij een opritje of drempelhulp. De twee kleine voorwieltjes gaan de helling op en even later maken de middelste (grote) wielen geen contact meer met de ondergrond. Al twee keer heb ik bij een opritje naar de stoep stil gestaan. De taxi-bus uitrijden via de lift kan alleen met hulp van de chauffeur. Hetzelfde probleem heb ik bij de voordeur van een woning. Een minimale helling zorgt voor stagnatie. Wat een blunder van de fabrikant. Het andere gedoe betreft de stoel. In plaats van zitten, lig ik er soms in, wanneer de Zorg mij er met de lift niet goed in takelt. Typen op het toetsenbord van de laptop wordt dan heel lastig. Maandag maar weer bellen met de ergo-therapeut.
Nog niet zo heel lang geleden deed ik elke morgen de dagrapporten van de politie. Met inbraken, diefstallen, mishandelingen, burenruzies met geweld, verkeersongevallen, branden en verslavingsellende en nieuws uit de wijken. Foto’s van gezochte TBS-ers, gezochte auto’s en winkeldieven. Ik plakte er een leuk plaatje bij en vaak een spreuk, gedachte of overpeinzing. Twee jaar geleden (een paar maanden na mijn pensionering) verhuisd naar een snel kleiner wordende wereld van afhankelijkheid, lang wachten op de taxi-bus en vragen om hulp bij eenvoudige en alledaagse dingen. Supersnel (en dus kort) douchen op een brancard, schots en scheef aankleden, elke dag een luier, slordig scheren, gekke scheiding in het haar en steunkousen die knellen. Vrolijk en optimistisch doen in het restaurant (fijne morgen meneer Schaik!) en een kwartier wachten op assistentie bij het drinken van een glas melk. Tussen parkinsonstumpers met rollator en licht dementerende oude mensen. Die in de lift niet kunnen beslissen naar welke verdieping ze moeten of hun rolstoel botsend naar binnen ploeteren. Vrijwel elke avond dezelfde (enigszins obligate) vraag van de nachtzuster, die mij in bed takelt, “heeft u nog wat leuks gedaan vandaag?” Zoals de dagploeg mij rond 0730u wekt met “lekker geslapen?” (ik ben gestopt met vertellen dat ik soms drie keer keer per nacht een uur wakker lig door schokken en spasmen in mijn benen).
Licht deprimerend zijn de sleur en verveling. Verreweg de meeste bewoners van het tehuis doen weinig anders dan slapen en eten. Met tussendoor uitgebreide koffie of thee met snoeperij; wéér aan tafel (ik doe niet meer mee) met de praatjes over de (achter-) kleinkinderen, de oorlog, het weer en andere Open Deuren. Ze zijn 86, 98 of zelfs 102 lentes jong en een aantal van hen wacht eigenlijk op de dood. Voor mij zijn er goddank internet, mijn kortegolf-radio (heeft u een bakkie?), de vriendelijke en wereldse echtgenote van een bewoner die elke dag aan tafel zit en spelletjes als Wordfeud. Mijn snelheid van reageren bij dit spelletje moet af en toe wel schrikbarend zijn voor de meeste tegenstanders. Deze korte tekst ‘schrijf’ ik overigens met één vinger en zes of zeven fouten per regel. Steeds vaker raak ik abusievelijk de spatiebalk aan waardoor een getypte regel e r vaak zo u itz iet . Mijn goede vriend Fons heeft als oplossing vóór het losse toetsenbord van de laptop een glad balkje gemonteerd, waarop mijn pols rust. Mijn arm bezit namelijk nog slechts de spierkracht van een regenworm. Typen doe ik met één vinger. De linker arm is inmiddels volledig verlamd en de hand wordt dik.
Langzaam dringt het besef door dat ik niet meer tegen de zon kan. Op vakanties vroeger kon ik moeiteloos een middag strand, felle zon en frisse zee afwisselen, maar nu is het 'zonmaximum' al na 30 minuten bereikt. Mijn spieren (de aansturing ervan) worden door de warmte zodanig verzwakt, dat het vasthouden van een pen al een uitdaging is. Blijkbaar wordt mijn warmtehuishouding door de MS in de war geschopt. Vooralsnog is mijn huid heel snel gebruind, zodat ik er eigenlijk redelijk gezond uitzie.